Aan het einde van de werkweek is het op zich wel fijn als alles goed kan gaan in mijn leven. Dat ik zoiets durf te hopen is een beetje tegen beter weten in, want iets voor elkaar krijgen op vrijdag is een long shot. De kosmos heeft het tegen die tijd namelijk finaal met mij gehad. Dat verklaart waarom ik na een lange dag en een rit zonder airco op straat achter vier wegrollende colaflessen mag aanrennen. Blijkbaar ben ik zo ellendig dat zelfs de boodschappentas het niet te verdragen vindt. Maar hoop doet leven, of zoiets. Dus ik raap mijn shit bij elkaar en loop welwillend de voordeur en de rest van de dag tegemoet. Wat blijkt? De televisie doet niks, de afwas op tafel is een treurig stilleven en de badkamer meurt naar riool, maar hé: laten we de dag vooral niet prijzen voor het avond is.

In de zoektocht naar een lichtpuntje begeef ik me na twee mentaal uitdagende uren (gescheurde vuilniszak ergo smerige stinkvloer, snee in vinger door knakworstblik en de tevergeefse onderneming om een pleister te vinden) met m’n zus naar de bioscoop. Daar kun je namelijk mooi met een chagrijnige kop gaan zitten. We hebben een kleine emotionele botsing in de parkeergarage, maar het mag de pret niet drukken. Wonder boven wonder gunt het universum ons een lolletje bij de kassa. Een meisje en haar vriend staan er sfeervol te bekvechten over wiens pinpas in actie moet komen op deze romantische avond. En dat op volumestandje oorpijn. Dat het stel bijzonder asociaal is en de discussie tergend langzaam eindigt, is reden genoeg om het tafereel hardop van commentaar te voorzien. Kan ons het schelen. Goede karma? Bestaat vandaag niet. Bovendien zien we die mensen nooit meer.

Vijf minuten later zagen we die mensen weer. Sterker nog, de twee zijn precíes op onze plekken gaan zitten. Hoe kut wil je het hebben. ‘Sorry, maar dat zijn ónze plekken,’ probeer ik. Het stel blijkt weinig coöperatief: ‘Jullie moeten lekker je bek houden, wij zitten hier nu’. Mijn sterke comeback luidt: ‘Ja maar, kijk eh, op onze kaartjes staat dat wij hier horen te zitten.’ Waarop de twee ons glazig aankijken en besluiten ons te negeren. De stoppen slaan door. ‘Het zijn ONZE PLEKKEN,’ zeg ik crescendo. Ineens klinkt het vanuit de zaal in beschaafd Nederlands: ‘KAULO, jullie zijn echt fucking zeikerds’, ‘donder op als het jullie focking niet bevalt’ en ‘kan iemand deze mensen hun bek laten houden?’. Mijn zus zoekt snel twee andere stoelen. Op dat moment gaat het licht uit. Letterlijk en figuurlijk. Tot hier en niet verder. Verslagen zak ik onderuit. Nu maar hopen op een filmisch happy end.

Gepubliceerd door Alleen maar nette verhalen

Eefje van den Berg

Plaats een reactie