Ik zeg weleens dat ik iedere dag McDonald’s zou kunnen eten. Iedereen die ik ken vindt dat belachelijk. Maar lieve mensen, daar heb ik helemaal geen boodschap aan. De enige reden dat het mij vooralsnog niet gelukt is, is omdat het maar een dure bedoening zou zijn. Als kind kreeg ik mijn ouders niet zover, nu laat mijn pauperportemonnee het niet toe. Ik zie mezelf al in evakostuum de trein in stappen. Twintig charmante zinnenprikkelende kilo’s zwaarder en geen geld om nieuwe kleren te kopen. Dat zou meelijwekkend en wellicht vermakelijk zijn, maar ik ben niet te beroerd om offers te brengen.

Vroeger was ik al in voor een semi-zakelijke onderhandeling op de weg. Zodra ik die kolossale M in de verte zag, gingen alle interne alarmbellen af. En dan kwamen de beloftes. Ik zou mijn kamer opruimen, mijn borden schoonlikken en van het haar van mijn zusje afblijven (ik was een desastreuze kapper). Bij tijd en wijle zwichtten mijn ouders. Dat waren fijne dagen. Andere keren zat ik met een bizar smerige snotneus de rit uit. Mijn gesnik had echter een averechts effect. Bonen kon ik krijgen. Bij thuiskomst was het enige beetje McDonald’s wat ik had een bespottelijke plastic hamburger in mijn plastic keukentje.

De geestige persoonlijkheden die mij omringen, zeggen dat ik maar gewoon bij de McDonald’s moet gaan werken. Dat gaat mij echter net een slag te ver. Ik wil eten, niet zo’n onesthetisch, weerzinwekkend petje dragen. Ik wil eventueel wel de leftovers komen ophalen. Medewerkers schijnen namelijk steevast een aardige zak mondvoorraad mee te krijgen. Als buitenstaander hoef ik echter niet op compassie te rekenen.

Ja, het leven is een meedogenloze trut. Mijn wens mocht tot op heden nimmer in vervulling gaan. En dus blijft het ook vanavond bij een jammerlijke burgerhallucinatie terwijl ik mijn aardappelen en blikgroenten moeizaam naar binnen werk. Ai, boze blik van de kok. ‘I´m lovin’ it’, zullen we maar zeggen.

Gepubliceerd door Alleen maar nette verhalen

Eefje van den Berg

Plaats een reactie